Een terugblik

Het Küblibad

Het gebied dat tegenwoordig bekend staat als Manor Farm – tussen de Lombach en de Chienberg gelegen – heette tot 1918 Küblibad of ook eenvoudig Bad, verwijzend naar de oude bronnen die hier vroeger zijn geweest. Op oude kaarten leest men „Küblisbad“ (met tussen-s). Ook „Beatusbad“ is in oude omschrijvingen te vinden. Tegenwoordig is het gebied op de landkaart van Zwitserland nog altijd omschreven als „Bad“.

Al in de eerste helft van de 18de eeuw werd er op deze plek gebaad zoals is terug te vinden in een notitie uit het 1736 [1]. Uit J.R. Nöthigers „Phisisch-topographischer Beschreibung des Amtes Unterseen“ [3], die tussen ca. 1780 en 1783 is ontstaan blijkt dat „de bron goed, gevarieerd en comfortabel is, en een sterke concentratie zwavel aanvoert, zodat alles wat in de bron wordt gedompeld niet alleen geel wordt maar ook een sterke geur verspreidt.

Het Küblibad was eigendom van de „Burgergemeinde (Cooperatie) Unterseen“ [2]. Op het terrein stond sinds 1816 een Herberg en er tegenover, aan de voet van de Chienberg bevonden zich boerderijen.

Het Pension Simpkin [5]

Vanaf 1879 huurde mevrouw Elise Simpkin-von Rodt (1833 -1895) uit Bern het Küblibad. Zij hat zich van haar in Engeland levende echtgenoot laten scheiden en was met haar beide dochters teruggekeerd naar Zwitserland. „Frau Siki“, zoals ze door de inheemsen werd genoemd leidde een in Engelse stijl gevoerd pension welke verbonden was aan het boerenbedrijf. Veel van haar oude contacten uit Engeland kwamen als gast naar het pension. Het ruime pension met twintig kamers – toen nog zonder elektriciteit of stromend water – droeg de naam „Pension Simpkin“. Het bestond uit een begane grond met een salon, een eetkamer en de keuken, en op de drie daarboven gelegen verdiepingen de gastenkamers.

De beide dochters van Elise Simpkin-von Rodt, Nellie en Florence of kort Flory (1870 – 1956), genoten in Bad van een onbezorgde jeugd. Na de dood van Elise Simpkin-von Rodt leidden beide dochters het Pension voort op dezelfde wijze als hun moeder. Florence trouwde echter snel en verhuisde naar Kiesen, onder Thun. Uit haar huwelijk kwamen een zoon en drie dochters Adelheid, Hildegard en Nellie voort.

De in Bad achtergebleven, ongetrouwde zus van Florence, Nellie Simpkin, verkreeg tussen 1912 en 1914 het gehele gebied in eigendom van de „Burgergemeinde Unterseen“, welke toentertijd wegens financiële krapte een groot deel van haar landerijen moest verkopen. Tijdens de eerste wereldoorlog braken zware tijden aan, omdat de internationale gasten wegbleven.

Soldaten en Officieren

Tegen het einde van de eerste wereldoorlog vonden talrijke – voor het grootste deel gewonde – Britse soldaten hun weg van de slagvelden bij Elzas-Lotharingen naar Zwitserland. Ze werden voor het merendeel geïnterneerd in het Berner Oberland. Nellie Simpkin nam de uit het Hospitaal van Interlaken ontslagen Britse soldaten en officieren op, de soldaten in de boeren gebouwen, de officieren in het pension. Deze militairen – in Engeland Tommy’s genoemd – werden ook na hun vertrek uit het hospitaal verzorgd. Van tijd tot tijd werden de geïnterneerde soldaten geïnspecteerd door de Britse militaire attaché, die onder de indruk was van de gastvrijheid en hulpvaardigheid van Nellie Simpkin. Kort na het einde van de oorlog kwam de attaché opnieuw voorbij, en deelde Nellie mee dat ze een wens mocht doen. Hare majesteit Queen Mary, de echtgenote van George V had van de onbaatzuchtige inzet van Nellie gehoord, en wilde haar dankbaarheid in naam van het koningshuis tonen. Nellie Simpkin vertrouwde zich ondanks herhaaldelijk aandringen niet toe een wens te uitten, of ze was zo tevreden dat ze eenvoudigweg geen wensen had. Met haar Engelse afkomst was het voor haar vanzelfsprekend zich belangeloos in te zetten voor haar landgenoten. Na verloop van tijd liet de Britse ambassade weten dat als gevolg van een opdracht van hare Majesteit het terrein zou worden uitgerust met een complete elektrische installatie. Het duurde dan ook niet lang voordat de medewerkers van het „Elektrizitätswerk Interlaken“ een begin maakten met de aanleg van de elektrische installatie. De laatste overblijfselen van deze installatie zijn pas in 1990 in het kader van een ombouw vervangen.

Manor Farm – een nieuwe naam

De Tommy’s hebben tot op de dag van vandaag hun sporen achtergelaten: Nellie Simpkin beviel de benaming „Bad“ en „Pension Simpkin“ niet. Lange tijd brak zij haar hoofd in haar speurtocht naar een betere naam, wat ook de Tommy’s ter oren kwam. Die zaten niet om een oplossing verlegen: „Why don’t you just call it Manor Farm ?!“ [6] Nellie was al snel gewend aan deze nieuwe naam. En daarmee dragen zowel het pension als de omgeving sinds 1918 tot op heden onveranderd de naam „Manor Farm“.

Brand en wederopbouw

Op 29 Februari 1928 werd het Pension Manor Farm een prooi der vlammen, het brandde tot op de fundamenten af. Het gebouw werd direct na de brand op een wat kleinere schaal herbouwd.

Met de dood van Nellie Simpkin in het jaar 1937 ging een voor het grootste deel positief tijdperk ten einde. Vanaf dat moment werd het pension door haar nichtjes, de dochters van de in Kiesen levende Florence von Steiger-Simpkin, verder geleid.

Tweede wereldoorlog

Met het uitbreken van de tweede wereldoorlog bleven de klanten opnieuw weg. Opnieuw werd het pension gevuld met militairen, Zwitserse dit keer. Zwitserland was als gevolg van haar neutraliteit in beide wereldoorlogen niet direct in het krijgsgewoel betrokken. In Interlaken bevond zich gedurende meerdere jaren het hoofdkwartier ofwel Generaalsstaf van het Zwitserse leger. In het gebouw van de huidige „Gemeindeverwaltung Interlaken“ logeerde de opperbevelhebber van het leger, generaal Henri Guisan. In een klein tuinhuisje aan het meer direct naast het pension „Manor Farm“ besteedde hij deels zijn schaarse vrije uren. Daar ontving hij ook – goed afgeschermd – vertegenwoordigers van de strijdende partijen. Bij bezoek van vertegenwoordigers van de „asmogendheden“ werden er veelvuldig zeer uitgebreide bewakingsmaatregelen getroffen, terwijl bij bezoek van de vertegenwoordigers der geallieerden er slechts een kleine groep werd ingezet.


Na het einde van de oorlog in 1945 werd Heidi von Steiger ziek, en moest noodgedwongen de leiding van het pension afgeven. Het Pension werd kort na elkaar aan verschillende personen verhuurd: aan de „Basler Lehrervereinigung“, daarna aan de pianist Rudolf Serkin (1903 – 1991) en zijn vrouw inclusief donkere bediendes. Andere beroemde gasten zouden volgen. Zo logeerden er aan het begin van de jaren vijftig regelmatig een zekere heer Phillips, grondlegger van de gelijknamige lampenfabriek in Nederland, en een in het buitenland levende Zwitser met de naam Wittenbach, hoedenfabrikant uit België in delen van het pension.

Het opkomende Campingtourisme

In de jaren vijftig besloten de drie Steiger-kinderen tot de verkoop van het wonderschone, praktisch ongerepte vier hectaren metende Manor Farm-terrein. Een project met een zeer eentonige bebouwing van meer dan vijftig vakantiewoningen beviel hen echter niet. Zij gaven de voorkeur aan een idee van de lokale architect Gustav Ritschard (1911 – 1997), welke ter bescherming van het landschap een kampeerplaats [4] voorstelde. Deze vorm van toerisme werd toentertijd gezien als moderne manier van het op individuele wijze genieten van vakantie in de natuur. Zelfs de „Uferschutzverband Thuner- und Brienzersee (UTB)“ schreef in haar jaarboek 1955 [7]: „we staan minder kritisch tegenover een nieuwe verschijning van onze tegenwoordige tijd, het kamperen… Het beschadigt het oeveraanzicht met haar lage, lichte bouwsels minder als een vakantiehuis-kolonie of een hotel“. In hetzelfde jaarboek [8] uitte zich de UTB zeer lovend over het initiatief van Ritschard en de in November 1955 van de „Gemeindeversammlung Unterseen“ goedgekeurde bijzondere bouwvoorschriften met zonen-plan voor het gebied Manorfarm. Eerst veel later, toen het gebruik van caravans en woonmobielen in Europa hand over hand toenam, verloor het kamperen haar oorspronkelijke flair van natuurvriendelijk toerisme.


Ritschard verkreeg vanaf 1953 in fasen het gehele terrein. In de zomermaanden van 1954 kwamen de eerste bijzondere toeristen, die hun onderkomens zelf meebrachten en in tenten sliepen. Tot de eerste campingasten telden in Duitsland gestationeerde, Amerikaanse militairen, alsmede gasten uit Groot-Brittannië, Holland en Duitsland. Bij gebrek aan voldoende eigen middelen werd Ritschard gedwongen gebruik te maken van de hulp van enkele draagkrachtige zakenmensen uit de regio. In de toenmalig opgerichte Manorfarm AG botsten de verschillende interesses al snel. Ritschard verloor als minderheidsaandeelhouder al snel zijn invloed, en zelfs zijn zetel in de raad van beheer. Tegen de tussen Ritschard en de Familie von Steiger getroffen overeenkomst in werd er al snel begonnen met de verkoop van afzonderlijke stukken van het perceel, die aansluitend werden bebouwd met vakantiewoningen.

Later kon Ritschard met de hulp van lokale banken en zijn broer Alfred Ritschard (1906 – 1998) de meerderheid van de naamloze vennootschap verkrijgen. Onder zijn leiding werd de camping voortdurend vergroot en kwalitatief verbeterd. 1972 werd het na de brand van 1928 nieuw opgebouwde pension uitgebouwd tot het nu nog aanwezige restaurant Landhaus Manor Farm. 1983 verkreeg de Manor Farm AG het naburige, traditionele Hotel en Restaurant Neuhaus.

Sinds de dood van Gustav Ritschard in het jaar 1997 beschikken zijn kinderen Urs Ritschard (1943), Irmgard Zenger-Ritschard (1947) en Jürgen Ritschard (1955) met hun families over de aandelen van het Vakantiecentrum Interlaken-Thunersee. De operationele leiding ligt bij Jürgen Ritschard (sinds 1974) en Irmgard Zenger.

In het jaar 2011 werden de beide vennootschappen Manor Farm AG en Neuhaus Golf- en Strandhotel AG tot NEUHAUS MANOR FARM AG gefuseerd. Tezelfdertijd lukte het de Familie-vennootschap zich met behulp van een herfinanciering te onttrekken aan de wurggreep van een twintig jaar oud toezichthouderschap door de UBS AG, Bern welke zich voor dit toezichthouderschap onder de dekmantel van risicodekking vorstelijk liet belonen, maar tevens het terrein als speculatieobject in handen hield.

Bronnen: [1]Das Grosse Landbuch – Berner Oberland in Sage und Geschichte (Hermann Hartmann, 1913), S. 279f

[2]Bilder aus der Geschichte von Unterseen (Hans Spreng, 1963), S. 37

[3]Jahrbuch vom Thuner- und Brienzersee 1972, S. 22

[4]Leben und Wirken des Bergmalers Gustav Ritschard (Paul Eggenberg, Urs Ritschard, Walter Seiler, 1986), S. 28ff

[5]Chronik der Manorfarm: Mündliche und schriftliche Schilderungen von Nellie Balmer-von Steiger, August 1987 bzw. März 1988

[6]engl. „Herrschaftsgut“

[7]Jahrbuch vom Thuner- und Brienzersee 1955, S. 64

[8]Jahrbuch vom Thuner- und Brienzersee 1955, S. 67